Theoloog Tomas Halik

Welkom op Tsjechie.net

Het Tsjechisch Forum, in een nieuw jasje!

Tomáš Halík - Lezing

De bekende theoloog Tomáš Halík komt op 4 maart naar Den Haag en op 5 maart naar Nijmegen.



Over de spreker
Tomáš Halík is priester en hoogleraar filosofie aan de Karelsuniversiteit in Praag. Hij weet als geen ander de eeuwenoude bijbelverhalen een hedendaagse betekenis te geven. In 2018 verscheen zijn boek Raak de wonden aan. Eerder schreef hij Geduld met God (2014), De nacht van de biechtvader (2016) en Ik wil dat jij bent (2017).

"Church as field hospital; crisis and renewal of faith"
Deze lezing is gebaseerd op zijn boek "Raak de wonden aan"; over niet zien en toch geloven, dat in 2018 in het Nederlands verscheen.

Wanneer: maandag 4 maart 20.00 - 21.30 uur
Waar: Christus Triumfatorkerk, Juliana van Stolberglaan 154, 2595 CL Den Haag
Aanmelden en lees meer HIER

"How to Deal with Misery?"
Wanneer
: dinsdag 5 maart 19.30 - 21.00 uur
Waar: Theaterzaal C, Radboud Universteit, Erasmusplein 1, 6525 HT Nijmegen
Lees meer HIER

Georganiseerd door: České centrum
 
Tomas Halík: Teloorgang religie biedt nieuwe kansen

2019-03-05-KRK1-ThomasHalik-3-FC-web.jpg


Tomas Halík sprak maandagavond in Den Haag. „Ik denk dat iedereen die een levend geloof heeft dwars door een dal van duisternis gaat en ervaart dat God kan zwijgen.” 

God verbergt Zich in deze tijd. Maar daardoor is het juist een gezegende tijd voor het stellen van vragen. „Als ik zwak ben, ben ik machtig”, betoogde de Tsjechische priester Tomas Halík maandagavond tijdens een lezing in Den Haag.

Halík (70) is priester en hoogleraar filosofie en sociologie aan de Karelsuniversiteit in Praag. Hij is voor een tweedaags bezoek in Nederland om enkele lezingen te houden. In Den Haag sprak hij over de crisis en de vernieuwing van het geloof.

Halík beschouwt het seculiere karakter van de samenleving als „een goede gelegenheid en grote uitdaging”, zo stelde hij. „Religie is niet meer vanzelfsprekend in deze tijd. Dit biedt echter de uitdaging om de diepere betekenis ervan te leren kennen.”

Geloof is ten diepste vertrouwen dat in elke situatie van het leven „zin, kansen en hoop” aanwezig blijven. „Geloof verbindt realisme met kritisch denken en is de vijand van bijgeloof, vooroordeel en illusie. Het wil van de moed der waarheid getuigen. Ik denk dat iedereen die een levend geloof heeft –en geen dode ideologie– dwars door een dal van duisternis gaat en ervaart dat God kan zwijgen. Maar als God verborgen is, kunnen we Hem niet negeren of vergeten, maar zullen we Hem met des te meer moed zoeken.”

Pasen
Het huidige tijdperk laat op verschillende terreinen „een verlies en de dood van het christendom zien, althans in zijn overgeleverde historische vormen.” Christenen moeten volgens Halík leren de betekenis van de huidige situatie te ontsluiten met de „sleutel” van Pasen. „De dood heeft niet het laatste woord. De opstanding is echter niet een herleving of herstel van oude vormen, maar de opening van een nieuwe dimensie, een zicht op het drama van Pasen. Er is geen opstanding zonder het kruis. Ik wantrouw elk geloof dat nooit verwond is door twijfels en dat nooit gekruisigd is door de ervaring van het kwaad en het onrecht in onze wereld. De roep van Jezus –„Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”– is steeds meer de hoeksteen van mijn geloof geworden.”

Een rijp geloof is in staat om geduldig te wachten, aldus Halík. „Ik zeg niet dat atheïsten ongelijk hebben, maar zij hebben geen geduld als ze te snel Gods zwijgen interpreteren als een bewijs dat Hij niet bestaat. Maar ook de religieuze enthousiastelingen en religieuze traditionalisten zijn ongeduldig als ze het zwijgen van God willen bezweren met hun halleluja’s en het voortdurend herhalen van uitdrukkingen die ze geleerd hebben. Wachten is geen vergeefse passiviteit, maar de uitdrukking van hoop op datgene wat we niet zien.”

De grootste vijand van het christelijk geloof is volgens de Tsjechische hoogleraar niet het atheïsme, maar afgoderij. „We kunnen atheïsme niet als een verwerping van God beschouwen; het is vaak een verwerping van theïsme, van menselijke begrippen van God.”

Bron: rd.nl
 
Filosoof; toen we in Tsjechië een stukje grond wilden kopen, hadden we een "zakenwaarnemer" nodig voor een op te richten S.R.O.. Omdat we geen bekenden hadden in Tsjechië, schoof onze advocaat een filosoof naar voren (die achteraf een vriend van de advocaat bleek te zijn).

Mijn vrouw, opgegroeid in de nadagen van het communisme in een land in Oost Europa, was daar niet zo blij mee. Volgens haar zijn mensen met dit soort studiekeuzes meestal kinderen van de communistische elite, die zich te goed voelen hun brood te verdienen tussen de arbeiders, liever wat boeken schrijven of pamfletten met warrige teksten om het communisme aan te prijzen.

De filosoof die ons pad kruiste, was volop bezig om te schakelen naar het kapitalisme, indien nodig ten koste van ons. We hadden een mooi stukje grond op het oog, maar de filosoof had een beter voorstel. Naast zijn huis lag, op een scherpe helling, bouwgrond (van zijn moeder, een operazangeres) en dat zouden we veel beter kunnen kopen. Toen we dat niet wilden, was de interesse meteen een stuk minder.

Toen we wat vaker op bezoek moesten bij de ambtenarij, kwam het voorstel dat het handig zou zijn een auto te hebben, en dat wij die voor hem zouden gaan betalen. Ook het redelijke loon dat wij hem betaalden voor zijn diensten, was hem altijd te weinig. We hebben het nog een tijdje aangezien met deze man, later heeft mijn vrouw deze taak overgenomen.

De filosoof heeft tegenwoordig een café, kan zijn visie op het leven aan de bar verbreiden, in combinatie met bier verkopen. "Bier is goed voor de gezondheid", wilde hij mij al eens wijsmaken.
Deze meneer Halík is schijnbaar naar de andere kant overgelopen, van filosoof naar theoloog. Ook een beroep waarin je niets hoeft te bewijzen, veel woorden in een mistig bos.
 
Tomas Halik waarschuwt voor misbruik christelijke symbolen

De Tsjechische professor Tomas Halik, een van de belangrijkste Europese christelijke intellectuelen, heeft tijdens de Europese bedevaart in het Oostenrijkse bedevaartsoord Mariazell gewaarschuwd voor het misbruik van christelijke symbolen.


Halik: "God dreigt op veel plaatsen in Europa verward te worden met de natie en het christelijke geloof met de gevaarlijke afgoderij van xenofobie en populisme. Maar deze lieden kunnen zich zeker niet beroepen op de God, die de vader van Jezus is."

Hij verwees vooral naar bewegingen in Polen en Hongarije die een terugkeer naar christelijke waarden preken, maar tegelijk ook haat tegen migranten en moslims verkondigen en democratie door een autocratisch systeem proberen te vervangen.

Bron: cip.nl
 
Tja, dit is zo oud als de mensheid. Bijna elke gelovige (of het nou een religie of andere overtuiging betreft) manipuleert zijn geloof net zo lang tot het als een jasje gegoten zit en hij bevestigd wordt in het eigen gelijk. Dat maakt het leven wel zo vertrouwd en makkelijk. "Goh, wat toevallig! Dit geloof komt precies overeen met wat ik vind, dus ik heb gelijk!" Komen er klachten, dan kan je je altijd op je - uiteraard enige ware - geloof beroepen. In het uiterste geval slacht je de klager af, dat zal die ketter, die ongelovige hond, leren. De kerken en partijen deden/doen zelf niet anders, dus wat verwacht deze 'een van de belangrijkste Europese christelijke intellectuelen' nou?

Zo, tot zover de overpeinzing van de dag van 'een van de belangrijkste Europese forumintellectuelen'. Doe er wat mee of niet.:beleefd: :stout:
 
Laatst bewerkt:
Recensie van ‘Niet zonder hoop’ van Tomáš Halík

Opnieuw is een boek van de Tsjechische priester en theoloog Tomáš Halík in het Nederlands verschenen. Hij blijkt een bestseller te zijn, met meer dan 30.000 verkochte boeken in de laatste jaren, wat voor de theologische markt best bijzonder is.

halik.jpg

Beeld door: Youtube/RV

In Niet zonder hoop, dat de ietwat jeukerige ondertitel: religieuze crisis als kans, heeft, komen we de inmiddels bekende Halík-thema’s tegen. Zo benadrukt hij de heilzame functie van een kritisch atheïsme, waardoor het geloof wordt uitgezuiverd van onhoudbare standpunten. Het geloof is voor hem iets fundamenteel anders dan het aanhangen van een aantal opvattingen. Hij zoekt een weg voorbij het theïsme, maar begeeft zich daarbij wel nadrukkelijk op het terrein van de katholieke traditie.

Als altijd wordt hij fel als hij het heeft over bepaalde evangelische stromingen, die een oppervlakkige boodschap verspreiden (vgl. p. 99). Het is een open zenuw bij Halík, verklaarbaar uit zijn eigen biografie. Hij groeide op achter het IJzeren Gordijn, in een religievijandig klimaat. Hij maakte deel uit van de ondergrondse kerk, maar moest na de omwenteling ervaren dat in zijn eigen katholieke kerk vele reactionaire krachten te voorschijn kwamen. Tegelijkertijd probeerden door westers donorgeld gedreven evangelische kerken het geestelijk vacuüm met hun populaire boodschap op te vullen. Tegen de oppervlakkigheid verzet hij zich, als hij pleit voor meer diepgang: “God is de diepte van onze werkelijkheid. Ik ben het met Tillich (protestants theoloog uit de 20ste eeuw) eens dat wie ‘weet heeft van de diepte, weet heeft van God’. Diepte vormt in dit geval geen tegenstelling met hoogte, maar is het tegenovergestelde van gebrek aan diepgang en oppervlakkigheid. In zoverre wij in ons leven en bij ons begrijpen van het leven en in het verstaan van de wereld de verleiding tot oppervlakkigheid overstijgen, bevinden we ons op ‘de weg naar de woonplaats van het licht’.” (p. 159).



Het laatste gedeelte is een verwijzing naar een vers uit het bijbelboek Job. Aan de figuur van Job zijn een paar van de hoofdstukken in dit boek gewijd. Job verzet zich tegen het leed dat hem overkomt en klaagt God aan. Hij neemt geen genoegen met de vrome verklaringen van zijn vrienden. In lange monologen komen Job en zijn vrienden aan het woord, zonder dat er een oplossing wordt gevonden. Uiteindelijk neemt God het woord en onderwerpt Job aan een spervuur van vragen. God wijst op de grootsheid van de schepping. Is Job in staat om dat geheim te doorgronden?
De interpretaties van het boek Job lopen uiteen. Is Job de morele winnaar, omdat God zichzelf overschreeuwt zonder op Jobs gerechtvaardigde vragen in te gaan, omdat Hij geen gewag maakt van de weddenschap met de duivel die aan Jobs ellende ten grondslag ligt? Een interpretatie die gesteund wordt door de mededeling aan het slot, dat God Job gelijk geeft tegenover zijn vrienden? Of is het juist zo, dat God met zijn vragen, die onbeantwoordbaar zijn, ook voor God zelf, wijst op de onbegrijpelijkheid van het geheel van de schepping: “God komt niet om het raadsel op te lossen, maar om nog een ander raadsel voor te leggen (…) Job ondervraagt God en God antwoordt met een uitroepteken. In plaats van te verklaren dat de wereld onverklaarbaar is, laat God zien dat hij nog geheimzinniger is dan Job denkt” (p. 129).

Een conclusie die Halik hieruit trekt is dat “God, die geheimzinnige context van ons leven, ons alleen als voorwerp van hoop is gegeven” (p. 141), waarmee we bij het thema zijn dat de beschouwingen in deze bundel met elkaar verbindt, de hoop.
Hoop is wat anders dan optimisme, maar gaat volgens Halik boven de simpele tegenstelling optimisme – pessimisme uit. Hoop als theologische deugd is in de moderne tijd vooral verbonden geraakt met een verwachting van een leven na dit leven, persoonlijk gekleurd, maar ook dat is niet wat Halik bedoelt. In de hoop gaat het om de moed het ‘terrein van het onmogelijke’ te betreden. Een voorbeeld daarvan is de belofte die mensen elkaar doen. Je neemt een voorschot op de toekomst, waarbij wij “iets doen wat onze krachten werkelijk te boven gaat, want de toekomst overstijgt immers radicaal ons ‘krachtenveld’, het terrein waarop wij invloed kunnen uitoefenen. Daarom zijn God en toekomst onlosmakelijk met elkaar verbonden (…) God is onze toekomst. In onderscheid van ons is Hij haar Heer; wij daarentegen ‘hebben’ onze toekomst alleen in hoop, op de manier van de hoop. Wij hebben haar en hebben haar niet, precies zoals wij God hebben en niet hebben. God is onze hoop, niet ons ‘bezit’” (p. 111).

Halik is een productief schrijver. Zijn teksten zijn bedrieglijk toegankelijk, omdat bij herlezing blijkt, zeker in groepsverband, is mijn eigen ervaring, dat er vaak veel meer in verborgen ligt dan je in eerste instantie denkt. Hij put uit de rijke traditie van het christendom en weet op een aansprekende manier diepe inzichten te verbinden met een eigentijdse spiritualiteit.

Bron: nieuwwij.nl
 
‘Het christendom moet een radicale hervorming ondergaan’

De autobiografie van de Tsjechische priester Tomáš Halík is nu in het Nederlands vertaald. Een gesprek met Halík over de zelfverbranding van Jan Palach, over Freud en Nietzsche als helpers in het geloof en over de toekomst van de kerk.

Wie over de Karelsbrug loopt en de Moldau-rivier oversteekt, komt terecht in het oude hart van Praag, de hoofdstad van Tsjechië. Aan het eind van de eeuwenoude brug, die aan weerszijden is bezet door heiligenbeelden, staat de katholieke Sint Salvatorkerk. Dit is het religieuze thuis van Tomáš Halík, de Tsjechische theoloog en publicist.

In de Sint Salvatorkerk is hij de hoofdpriester van een academische parochie, verbonden aan de Karelsuniversiteit, waar hij ook hoogleraar Sociologie is.

Het is ruim veertig jaar geleden dat Tomáš Halík, 21 jaar oud toen, in de winterkou ook over de Karelsburg liep, met in zijn handen het dodenmasker van zijn leeftijdsgenoot Jan Palach. Een aantal dagen eerder had Palach zichzelf in brand gestoken, op het vlakbij gelegen Wenceslasplein. Uit protest tegen het toenmalige communistische regime.

In-het-geheim-geloven-Tomas-Halik-e1607534345248.jpg


Halík beschrijft dit sleutelmoment in zijn autobiografie, die nu in het Nederlands is verschenen: In het geheim geloven. Hierin is te lezen over zijn tijd als priester in de ondergrondse kerk ten tijde van het communisme. Maar ook over zijn bevoorrechte jeugd als enig kind van niet-religieuze ouders en over zijn vriendschap met Václav Havel, de eerste vrij gekozen Tsjechoslowaakse president na de Val van de Muur.

U schrijft in uw boek dat uw voornaam Tomáš een bijzondere weerklank had bij mensen toen u nog heel klein was. Waarom was dat?

“Dat was omdat het de naam was van de eerste Tsjechoslowaakse president, Tomáš Masaryk. Hij was de stichter van de republiek én het symbool van de democratie. Dat gold vooral in de periode direct na de communistische coup, in februari 1948, een paar maanden voordat ik geboren werd. Veel kinderen werden in die tijd Tomas genoemd, als een protest tegen het communistische regime. Tegelijk was Masaryk niet alleen politicus, maar ook filosoof. In het Tsjechisch bewustzijn is hij het archetype geworden van de staatsman die ook een intellectuele en morele autoriteit is, en niet alleen een manager van de macht. Toen Václav Havel werd gekozen, continueerde die dat archetype.

Dus mijn naam gold als een teken dat mijn familie niet communistisch was, en dat wij geloofden in het ideaal van democratie en menselijkheid. Mijn voornaam is voor mij nu ook verbonden met Thomas van Aquino, met de apostel Tomas; de patroonheilige van de twijfelaars, en met Thomas Becket – Tomassen die voor mij betekenisvol zijn. Maar inderdaad, Masaryk heeft mij geïnspireerd om Sociologie te studeren, want hij was ook een socioloog. In wezen zit ik aan de Karelsuniversiteit nu op de leerstoel die hij lang geleden had.”

De psychologie van geloven
U schrijft met veel liefde over uw vader, die niet religieus was maar desondanks een grote invloed had op uw religieuze leven. Kunt u dat laatste uitleggen?

“Onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog, toen in 1918 de Tsjechoslowaakse Republiek geboren werd, was er de beweging Los-von-Wien-Los-von-Rom: ‘nee’ tegen Wenen, ‘nee’ tegen Rome. In die tijd verlieten ongeveer twee miljoen Tsjechen de katholieke kerk, uit protest tegen de band van de kerk met de Habsburgse monarchie. Mijn opvoeding kwam voort uit het wereldbeeld van de intelligentsia van die eerste republiek: geloof in vooruitgang, in de wetenschap, in humanistische idealen, in democratie, enzovoorts.

Het christendom was voor mijn ouders onderdeel van onze culturele identiteit, maar zij zagen de Bijbel zoals de Griekse mythen. Ik had praktisch geen ervaring met de levende kerk, aangezien de kerk bij ons zwaar onderdrukt werd, vergeleken met andere communistische landen. Ons land was historisch gezien al relatief seculier, dus ik denk dat de Stalinisten daarom Tsjechoslowakije hebben gebruikt om te experimenteren met de totale atheïsering van een land.

Mijn bekering voltrok zich in meerdere stappen. In het begin had ik een esthetische sympathie voor het gotische en voor de spirituele muziek van de kerk, en een intellectuele sympathie voor sommige christelijke filosofen en katholieke romanschrijvers. Ook had ik een politieke sympathie voor de kerk, omdat ze verboden werd door de communisten. Mijn liefde voor de kerk was dus ietwat platonisch. Maar toen ontmoette ik een paar interessante mensen, zoals pater Jiří Reinsberg, over wie ik in mijn boek schrijf. Zij vormden voor mij de gezichten van de kerk, en werden voor mij een brug naar de echte kerk van de jaren zestig.”

Maar uw vader was religieus gezien niet geïnteresseerd. Tóch plantte hij iets in u.

“Voor zijn sterven heb ik hem een brief geschreven, tijdens mijn militaire dienst. Ik schreef hem: “Ik ben u iets verplicht, want het concept ‘vader’, dat in het christendom van zo’n groot belang is, is voor mij gevuld met de ervaring die ik met u heb gehad. U was een goede vader.” Het woord ‘vader’ is voor mij dus verbonden met ‘bescherming’ en met ‘liefde’. Dat is een groot verschil met de situatie in het heden: ik heb meer dan tweeduizend jonge mensen begeleid naar hun doop en hen ook gedoopt. Veel van die jonge mensen hadden slechte ervaringen met hun eigen vaders, of waren opgegroeid in incomplete gezinnen. Dus toen ik met hen sprak over ‘God de Vader’ betekende dat voor hen iets anders dan voor mij. Misschien zit daarin een reden voor het hedendaagse atheïsme. Er zijn een paar psychologische en psychoanalytische boeken verschenen over belangrijke atheïsten, en veel van hen hadden problemen met hun eigen vaders. Dus het concept van ‘God’ is soms onbewust verbonden met persoonlijke ervaringen.”

Tomas-Halik-onderwijst-studenten-c-Vit-Lustinec-1024x683.jpg

Tomáš Halík onderwijst studenten© VÍT LUŠTINEC

Als voorbeeld van zo’n boek houdt Halík Faith of the Fatherless. Psychology of Atheism omhoog, geschreven door de Amerikaanse psycholoog Paul Vitz.

U bent zelf ook opgeleid tot psychotherapeut.

“Dat is een grote hulp voor mij in mijn pastorale werk, vooral als biechtvader. In onze parochie hebben we elke donderdagavond een paar uur de ruimte voor niet alleen het biechten, maar ook voor spirituele begeleiding. Ik heb nu een aantal lekenmannen en -vrouwen, die zowel theologisch als psychotherapeutisch onderlegd zijn, en mij helpen om jonge mensen en spirituele zoekers te begeleiden. Sommige van die zoekers hebben moeite met de kerk of in hun leven, en zoeken daarin begeleiding.

Ik denk dat de begeleiding van zoekende mensen een belangrijke service wordt van de kerk van de toekomst. Want het aantal mensen dat zich volledig met de kerk identificeert neemt af, evenals het aantal echte atheïsten. Maar er zijn zoveel mensen daar tussenin: apatheïsten, agnostici, spirituele zoekers. Dat is een continent dat we moeten binnengaan, niet alleen om die mensen te bekeren, maar om ze in dialoog en met respect te begeleiden. Zodat we ze iets van de schat van het christendom kunnen aanbieden, maar ook zodat we van ze leren. Want zoekende mensen hebben een grote openheid. Wij zouden zelf ook zoekers moeten zijn, en niet alleen de bezitters van de algehele waarheid.

Omdat ik denk dat het begeleiden van zoekende mensen een belangrijke taak is voor de kerk van de toekomst, werk ik intensief samen met mensen uit het zogenaamde categoriaal pastoraat: kapelanen in ziekenhuizen, kapelanen in gevangenissen, kapelanen aan universiteiten en kapelanen in het leger. Want zij zijn er voor iedereen, niet alleen voor de gelovigen. Zij zijn de avant-garde van de kerk van de toekomst.”

Zelfmoordenaar of martelaar
De passage in uw boek over de Praagse Lente van 1968, als er een milder communistisch regime aan de macht komt, raakte mij. Want u beleeft tijdens een studentenuitwisseling in Wales de tijd van uw leven, terwijl uw studiegenoot Jan Palach zichzelf in brand steekt. Wat voor betekenis heeft u zijn dood kunnen geven?

“Dat was één van de meest vormende momenten van mijn leven. Tijdens de Praagse Lente hadden we zowat de eerste mogelijkheid om naar het Westen te kunnen reizen. Ik kreeg de kans om naar Groot-Brittannië te gaan. Maar daarna vond de bezetting plaats (als reactie op de Praagse Lente werd Tsjechoslowakije door Sovjettroepen bezet, JT). Ik besloot aan het eind van 1968 terug te keren. Toen was er nog steeds de mogelijkheid om weer naar het buitenland te gaan. Dus de cafés in Praag zaten vol met studenten die erover discussieerden of ze in het land zouden blijven of uit het land weg zouden gaan.

In die periode vond de opoffering van Jan Palach plaats. Ik organiseerde een requiem voor hem in een kerk in Praag, en ik droeg zijn dodenmasker van de faculteit naar de kerk en weer terug. Dus ’s nachts liep ik over de Karelsbrug, met het dodenmasker tegen mijn hart gedrukt. Dat was een ontroerend en belangwekkend moment voor mij, want ik voerde een soort innerlijke dialoog met Jan Palach. Hij had een brief achtergelaten, waarin stond: ‘Ik ben toorts nummer 1. Er zullen andere komen als de situatie niet verbetert.’

Zijn zelfopoffering was niet alleen een protest tegen de bezetting, maar ook tegen een begin van collaboratie. Want een halfjaar na het begin van de bezetting begonnen mensen compromissen te sluiten. Daarmee begon het tijdperk van de zogenaamde ‘normalisering’, en dat vernietigde het karakter van onze samenleving. Jan Palach wilde mensen wakker schudden tot protest en tot non-conformisme. En ik dacht: ja, dit is de uitdaging voor ieder van ons, in elk geval voor de mensen die zijn opoffering zagen als iets van betekenis.

Veel van mijn katholieke vrienden waren tegen zijn opoffering, en vonden het zelfmoord. Maar ik antwoordde met een citaat van G.K. Chesterton: ‘Zelfmoord is ‘nee’ zeggen tegen het leven, martelaarschap is ‘ja’ zeggen tegen het leven.’ Jan Palach was voor mij meer een martelaar dan zelfmoordenaar. En ik zocht mijn persoonlijke antwoord op zijn uitdaging.

Zelf vond ik zelfverbranding geen oplossing, maar ik kon niet doorleven alsof er niks was gebeurd. Ik vond dat ook ik mijn leven aan iets van belang moest geven, en ik denk dat dat de eerste stap was richting mijn beslissing om in het geheim priester te worden in de ondergrondse kerk, en dissident te worden. En in tijden dat ik ondervraagd werd door de politie, herinnerde ik me altijd Jan Palach. Alsof hij achter mij stond. Ik kon niet collaboreren. Ik kon geen compromis sluiten. Daar was ik toe verplicht.”

Infantiele religie
Uit uw boek blijkt dat de filosoof Nietzsche, en vooral zijn boek Also sprach Zarathustra, een groot deel van uw leven een inspiratiebron is gebleven. Hoe zit dat?

“Omdat ik een groot deel van mijn leven onder atheïsten heb doorgebracht, en onder een atheïstisch regime, heb ik gekozen voor de dialoog met het atheïsme. Daarom heb ik de atheïstische critici van religie bestudeerd. Dat heb ik nooit gedaan als een apologeet die vooral wilde zeggen: ze hebben ongelijk. Ik wilde juist iets belangrijks in hun kritieken zoeken. Daartoe was ik geïnspireerd door Chesterton, die zei: “Alle ketterijen zijn waarheden die gek zijn geworden.” Want in elke ketterij zit een deel van de waarheid. Daarom moeten we altijd dat deel ontdekken dat voor ons van belang is. Volgens mij zitten er belangrijke elementen in de religiekritieken van Sigmund Freud, zelfs van Karl Marx, en vooral in die van Friedrich Nietzsche. Ik denk dat zij ancilla theologiae kunnen zijn: helpers van de theologie en het geloof. Zij kunnen ons helpen de pathologische vormen van religie te vernietigen of te ontstijgen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan het beeld van God als een morele politieman, of aan het beeld van God als een God van wraak. Wat mensen als Freud en Nietzsche bekritiseren is vaak die infantiele vorm van religie, dat wat afgoderij is. We moeten die afgoderij ontstijgen en God ontdekken als een mysterie.

Ik denk dat er altijd de verleiding is dat we te gefixeerd raken op ons eigen concept van God, op onze eigen ideeën, waardoor we het geloof doen veranderen in een ideologie, en zelfs in afgoderij. Van tijd tot tijd is het belangrijk die beelden te vernietigen, omdat God áchter al die beelden zit. De religieuze taal is een taal van symbolen en metaforen, en we bevinden ons altijd in de verleiding om die symbolen als laatste waarheden te zien. Maar dat zijn ze niet. Die beelden zijn alleen maar de vinger die naar de maan wijst, niet de maan zelf. Ik denk dat geloof de moed is om de wolk van het mysterie binnen te treden en met het mysterie te leren leven. Natuurlijk vraagt dat veel van ons. Dichtbij God zijn is als dichtbij vuur zijn, lezen we in de Bijbel. Daarom hebben we die metaforen en beelden nodig. Als we ons maar bewust blijven dat het slechts concepten zijn.

Ik houd van dat idee van Meister Eckhart dat God ‘niets’ is. Dat betekent dat God niet ‘iets’ is. God is niet een ding onder de dingen. Volgens Eckhart moeten we vrij worden van die fixatie op ‘iets’. We hebben altijd de neiging iets te zijn: ik ben rijk, ik ben belangrijk, ik ben machtig. Maar we moeten ons realiseren dat we naakt zijn, en als we naakt zijn kunnen we God ontmoeten als de naakte met de naakten. Aan het einde van mijn boek schrijf ik: soms zijn we bang dat we met onze dood het ‘niets’ binnengaan. Maar misschien is dat ‘niets’ gewoon een andere naam voor God. Dat is typisch voor zowel het christelijke als het boeddhistische mysticisme: de paradox dat ‘niets’ en ‘volheid’ hetzelfde zijn.”

De kerk van de toekomst
Tot slot vertelt Tomáš Halík over een boek waar hij de laatste hand aan legt. Het gaat over de toekomst van de kerk. De kerken die nu leeg staan vanwege de coronapandemie zijn, volgens de Tsjech, een waarschuwingsteken.

“Volgens mij moet het christendom een radicale hervorming ondergaan, en paus Franciscus is een teken van hoop. Die hervorming moet niet gaan om een ‘modernisering’ van de christelijke doctrine of van de kerkstructuren, maar er moet een nieuwe taal komen voor de theologie en de prediking, evenals een spirituele verdieping. In ons land, en in Nederland ook, is het netwerk van parochies in crisis.

Als de kerk niet door een diepe hervorming heen gaat, zullen de kerken binnen één generatie gesloten zijn. De hervorming die ik voor me zie, zou levende centra van meditatie en overdenking moeten creëren. Net zoals de Middeleeuwse universiteiten, die geen fabrieken van diplomaten waren, maar gemeenschappen waarin mensen de waarheid zochten door middel van discussie en debat. Dat soort nieuwe centra, waarin samen gebeden en geleefd wordt, is het begin van de hervorming.

Het is mogelijk om een andere versie van het christendom te laten zien. Die moet intellectueel zijn: een plek om te reflecteren op religie, een nieuwe taal te zoeken en te communiceren met de hedendaagse cultuur. Die moet ook een plek zijn voor meditatie en contemplatie. Ten derde moet de kerk actief zijn in de samenleving, door het steunen van de ecologie, van de minderheden en de gemarginaliseerden, zoals de armen en vervolgden.”

Dat vind ik intrigerend: u wilt nooit bang zijn. Niet bang voor non-conformisme tijdens het communisme, niet bang voor atheïsme, en niet bang voor de lege kerken. In uw ogen zijn dat allemaal kansen om weer zuiver te worden en nieuwe deuren te openen.

“Zeker. Die zin: ‘wees niet bang’ wordt vaak gebruikt in de Bijbel. En ik denk dat dat een boodschap is voor onze tijd.”

In het geheim geloven. Tomáš Halík. Vertaler: Kees de Wildt. Uitgeverij KokBoekencentrum. 29,99 euro. Meer informatie over het werk en leven van Tomáš Halík is te vinden op zijn website.

Bron: volzin.nu
 
Tomáš Halík: ‘Zal ik de wereld ooit door ogen van engelen kunnen zien?’

Een nieuw boek van de Tsjechische priester/filosoof Tomáš Halík: ‘Theater voor engelen’. Het is een boek over de zoektocht naar zingeving en God. We selecteerden alvast een fragment voor je.


Ik denk vandaag aan de engelen, de niet-waarneembare getuigen, de zwijgende toeschouwers, die ons krioelen op de aarde gadeslaan, daar ergens vanuit de verre loges van het hemelse amfitheater. Wat zouden ze zeggen over het theater van onze geschiedenis? Vermaken ze zich ermee? Lachen ze? Huilen ze? Klappen ze? Kijken ze gespannen toe?
Zelfs als ze misschien in geen andere hemel zouden leven dan in het paradijs van ons vrome voorstellingsvermogen, kan deze speelse en schijnbaar nutteloze gedachte aan hen vleugels geven aan ons vragen: Hoe zou de geschiedenis waarvan wij deel uitmaken eruitzien als we die in z’n geheel van bovenaf zouden bekijken, vanuit een totaal ander perspectief dan waarmee we zó vertrouwd zijn dat we het in een naïeve vanzelfsprekendheid voor het enig mogelijke en enig juiste houden?

Uniek perspectief
Als jongetje werd ik me ervan bewust dat het perspectief van waaruit ik de wereld om me heen waarneem uniek en niet-uitwisselbaar is. Wat ik op dit ogenblik waarneem, vanaf de plaats waarop ik sta, en wat ik daarbij ervaar en wat ik denk, wordt door niemand anders gezien, gevoeld of gedacht. Ieder van ons heeft dus een eigen wereld, hoe dicht we fysiek, emotioneel of ideologisch ook bij elkaar staan. Nog altijd herinner ik me hoe ik als door de bliksem getroffen werd door dit inzicht: een mengeling van verbazing en opwinding, maar ook van eenzaamheid.
Ik heb er vaak naar verlangd uit de cirkel van mijn eigen lotsbestemming te breken en de wereld ook met de ogen van anderen te zien, op een of andere manier deel te krijgen aan hun ervaringen. Het is juist deze passie die me heeft aangezet tot lezen (vooral van verboden boeken), tot het maken van pelgrimstochten door de wereld en tot gesprekken met zowel links als rechts.
Ik heb ernaar gestreefd en streef er nog steeds naar om mensen te begrijpen die volstrekt anders denken dan ik. Ik probeer te ontdekken wat de wortels daarvan zijn, in welke omstandigheden en welke context hun gedachten, ideeën en gedrag zich hebben gevormd, of in ieder geval iets te gaan begrijpen van de zin en waarheid ook van dat wat mij spontaan afstoot en wat op het eerste gezicht nergens op lijkt te slaan.

Grenzen van het eigen huis
De waarheid verbergt zich graag. Waarom zouden we in onze zoektocht naar de waarheid dan halthouden bij de grenzen van ons eigen huis? Waarom zouden we ons op onze weg daarheen niet in gebieden wagen die ons vreemd en vijandig toeschijnen? De waarheid is een boek dat niemand van ons nog uit heeft. Misschien is het dus niet onbeleefd ook over de schouder van anderen heen daarin te lezen.
Zal het me ooit worden vergund het panorama van het leven in zijn geheel te overzien, in zijn volle waarheid, vanuit een punt dat uitgaat boven elke horizon die ik tot nu toe ken of die ik me maar kan voorstellen? Zal ik ooit de ‘absolute horizon’ aanschouwen? Zal ik het geluk smaken dat ik die context waarneem die het me mogelijk maakt de zin te verstaan ook van dat wat me hier en nu vanzelfsprekend als absurd voorkomt? Met andere woorden: zal ik onze wereld ooit ‘door de ogen van engelen’ kunnen zien?

cdn-image


Geloof in engelen en demonen
Het geloof in engelen en demonen heeft me daarom altijd belangrijk geleken, omdat dat impliciet de overtuiging in zich draagt dat mensen mensen zijn, geen engelen of demonen. Dat we anderen niet als engelen of demonen zien, onszelf niet voordoen als een engel en andere mensen niet demoniseren, daarmee kunnen we heel wat tragedies vol fouten voorkomen. Zal de gedachte aan engelen, die ons eraan herinnert dat wijzelf geen engelen zijn, ons niet ook voor de verleiding bewaren dat we vergeten dat onze menselijke horizon nu eenmaal begrensd is?

Je kunt verder lezen op de website van uitgever KokBoekencentrum

Bron: lazarus.eo.nl
 
Bovenaan